Diazepam Ab 5mg Tabl 60
Op voorschrift
Geneesmiddel

Diazepam Ab 5mg Tabl 60

  € 9,41

information-circle Terugbetaalbaar

Als je recht hebt op een terugbetaling voor dit geneesmiddel, betaal je in de apotheek een verlaagde prijs en niet de prijs die op onze webshop vermeld staat.

Terugbetalingstarief

€ 9,41 (6% inclusief btw)

Verhoogde tegemoetkoming

€ 9,41 (6% inclusief btw)

Belangrijke informatie

Voor dit geneesmiddel is een voorschrift nodig. Na beoordeling door de apotheker kan je het komen afhalen en betalen.

Maximum toegelaten hoeveelheid in winkelwagen bereikt

  € 9,41
Op voorraad

4.4 Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik Benzodiazepinen worden niet aanbevolen als eerstelijnsbehandeling voor psychose. Benzodiazepinen mogen niet alleen worden gebruikt ter behandeling van depressie of angst die in verband wordt gebracht met depressie (bij dergelijke patiënten kan dit suïcide in de hand werken). Amnesie Anterograde amnesie kan voorkomen (zie ook rubriek 4.8) zelfs wanneer benzodiazepinen gebruikt worden binnen de normale range voor dosering, hoewel dit vooral wordt waargenomen bij hogere doseringen. Amnestische effecten kunnen in verband worden gebracht met ongepast gedrag. Duur van de behandeling De behandelingsduur voor angst dient zo kort mogelijk te zijn (zie rubriek 4.2) en mag niet langer duren dan 8 tot 12 weken, inclusief afbouwperiode. Verlenging tot na genoemde perioden mag niet plaatsvinden zonder de situatie opnieuw te beoordelen. Het kan nuttig zijn om de patiënt aan het begin van de behandeling te vertellen dat de behandeling van beperkte duur zal zijn en precies uit te leggen hoe de dosering stap voor stap zal worden verminderd. Het is bovendien belangrijk dat de patiënt op de hoogte is van de mogelijkheid van rebound-verschijnselen, zodat de angst voor het eventueel optreden van dergelijke symptomen bij het beëindigen van de behandeling zoveel mogelijk beperkt wordt. Bij gebruik van benzodiazepinen met een lange werkingsduur is het belangrijk ervoor te waarschuwen dat deze niet mogen worden vervangen door een benzodiazepine met korte werkingsduur, aangezien dan ontwenningsverschijnselen kunnen optreden. Psychiatrische en paradoxale reacties Er is melding gemaakt van paradoxale reacties (zoals rusteloosheid, agitatie, prikkelbaarheid, agressie, waandenkbeelden, woedeaanvallen, nachtmerries, hallucinaties, psychosen, onaangepast gedrag of andere gedragsstoornissen) op het gebruik van benzodiazepinen. Dergelijke reacties komen vaker voor bij kinderen en oudere patiënten. Indien deze reacties voorkomen moet de behandeling worden gestaakt. Gelijktijdig gebruik van alcohol/ middelen die het CZS remmen Gelijktijdig gebruik van diazepam met alcohol en/of middelen die het CZS remmen, dient te worden vermeden. Door een dergelijk gelijktijdig gebruik kunnen de klinische effecten van diazepam groter zijn en mogelijk zelfs leiden tot ernstige sedatie, klinisch relevante respiratoire en/of cardiovasculaire depressie (zie rubrieken 4.5 en 4.9). Medische voorgeschiedenis van alcohol- of drugsverslaving Diazepam moet met de grootste voorzichtigheid gebruikt worden bij patiënten met medische antecedenten van alcoholisme en drugsverslaving. Diazepam moet worden vermeden bij patiënten met afhankelijkheid aan stoffen die het centrale zenuwstelsel onderdrukken, waaronder alcohol, behalve bij de behandeling van acute ontwenningsverschijnselen. Monitoring tijdens de behandeling is essentieel om de dosering en/of de frequentie van toediening te verlagen om overdosering door accumulatie te voorkomen. Bij gebruik van benzodiazepinen met een lange werkingsduur is het belangrijk ervoor te waarschuwen dat deze niet mogen worden vervangen door een benzodiazepine met korte werkingsduur, aangezien dan ontwenningsverschijnselen kunnen optreden. Risico van gelijktijdig gebruik van opioïden Gelijktijdig gebruik van diazepam en opioïden kan leiden tot sedatie, respiratoire depressie, coma en overlijden. Vanwege deze risico's moet gelijktijdig gebruik van sedativa zoals benzodiazepinen of verwante geneesmiddelen zoals diazepam met opioïden worden voorbehouden aan patiënten bij wie alternatieve behandelingsopties niet mogelijk zijn. Als wordt besloten om diazepam gelijktijdig met opioïden voor te schrijven, moet de laagste effectieve dosis worden gebruikt en moet de behandelingsduur zo kort mogelijk zijn (zie ook de algemene dosisaanbevelingen in rubriek 4.2). De patiënten moeten nauwlettend gevolgd worden voor tekenen en symptomen van ademhalingsdepressie en sedatie. In dit opzicht wordt sterk aanbevolen om patiënten en hun verzorgers (indien van toepassing) op de hoogte te brengen van deze symptomen (zie rubriek 4.5). Tolerantie Enig verlies van de werkzaamheid van de hypnotische effecten van benzodiazepinen kan optreden na herhaald gebruik gedurende een paar weken. Pediatrische patiënten De veiligheid en effectiviteit van diazepam bij pediatrische patiënten jonger dan 6 maanden is niet vastgesteld. Diazepam moet bij kinderen met de hoogste voorzichtigheid worden gebruikt en alleen als er geen therapeutische alternatieven beschikbaar zijn. Kinderen vertonen een verhoogde gevoeligheid voor de effecten van benzodiazepinen op het centraal zenuwstelsel. Bij deze groep patiënten kan het niet volledig ontwikkelde metabolisatieschema de vorming van niet-actieve metabolieten verhinderen of reduceren. Bij kinderen dient de behandelingsduur zo kort mogelijk zijn. Specifieke patiëntengroepen Een lagere dosering wordt aanbevolen bij patiënten met chronische ademhalingsinsufficiëntie gezien het risico op ademhalingsdepressie. Bij oudere mensen en verzwakte patiënten moeten lagere doseringen worden gebruikt (zie rubriek 4.2). In geval van lever- en/of nierinsufficiëntie dient de dosis te worden verminderd. Bij een langdurige behandeling wordt aanbevolen de bloedbeeld en de leverfunctie te controleren. Plots stopzetten van de behandeling met diazepam bij patiënten met epilepsie kan resulteren in een epileptische aanval. Diazepam dient met voorzichtigheid te worden gebruikt bij patiënten met antecedenten van hart- of respiratoire insufficiëntie. Afhankelijkheid Behandeling met benzodiazepinen kan leiden tot mentale of fysieke afhankelijkheid (zie rubriek 4.8). Het risico hierop neem toe met de dosering en de duur van de behandeling en is ook groter bij patiënten met een voorgeschiedenis van alcohol- of drugsverslaving of bij patiënten met duidelijke persoonlijkheidsstoornissen. Ontwenning Wanneer een patiënt eenmaal fysieke afhankelijkheid heeft ontwikkeld, zal abrupte beëindiging van de behandeling gepaard gaan met ontwenningsverschijnselen (zie rubriek 4.8). Deze kunnen bestaan uit hoofdpijn, spierpijn, extreme angsten, gespannenheid, rusteloosheid, verwardheid en prikkelbaarheid. In ernstige gevallen kunnen de volgende symptomen optreden: verlies van realiteitsbesef, verlies van persoonlijkheid, hyperacusis, slaperig gevoel en tintelingen aan de extremiteiten, overgevoeligheid voor licht, geluid en aanraking, hallucinaties en epileptische aanvallen. Rebound-angst Bij stopzetting van de behandeling kan een voorbijgaand syndroom optreden waarbij de symptomen die hebben geleid tot de behandeling van benzodiazepinen, weer intenser optreden. Dat kan gepaard gaan met andere reacties, zoals stemmingsveranderingen, angst of slaapstoornissen en rusteloosheid. Aangezien het risico op ontwennings-/reboundverschijnselen groter is als de behandeling plots wordt stopgezet, wordt er aanbevolen de dosering geleidelijk te verminderen. Lactosemonohydraat Diazepam AB bevat lactose. Patiënten met zeldzame erfelijke aandoeningen als galactose intolerantie, Lapp lactase deficiëntie of glucose-galactosemalabsorptie mogen dit geneesmiddel niet gebruiken.

Volwassenen: - Symptomatische behandeling van angst. Benzodiazepines zijn alleen geïndiceerd als de aandoening ernstig, invaliderend is of uitgesproken leed veroorzaken. - Symptomatische behandeling van alcoholontwenningsverschijnselen. Volwassenen en kinderen boven de 6 jaar - Symptomatische behandeling van skeletspieren spasmen (ontsteking van spieren en gewrichten, trauma), waaronder spasticiteit veroorzaakt door bovenste motorneuronaandoeningen (zoals cerebrale parese, paraplegie en athetose en Stiff-Person syndroom).

4.5 Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie Farmacodynamische interacties Als diazepam met andere centraal werkende middelen wordt gebruikt, dan moet zorgvuldig rekening worden gehouden met de farmacologie van de gebruikte middelen, vooral bij samenstelling die de werking van diazepam kunnen versterken of die door diazepam worden versterkt, zoals neuroleptica, anxiolytica/sedativa, hypnotica, antidepressiva, anti-epileptica, sedatieve antihistaminica, antipsychotica, anesthetica voor de algehele narcose en narcotische analgetica. Dit gelijktijdig gebruik kan de sedatieve werking versterken en depressie van de respiratoire en cardiovasculaire functies veroorzaken. Gelijktijdig gebruik niet aanbevolen Alcohol Tijdens de behandeling met diazepam mag geen alcohol worden gebruikt vanwege de additieve CZS�inhibitie en de versterkte sedatie (zie rubriek 4.4). Combinatie met middelen die het CZS onderdrukken Buprenorfine De combinatie van buprenorfine met benzodiazepinen kan leiden tot de dood als gevolg van respiratoire depressie. Het moet worden vermeden in geval van misbruik. Indien het gelijktijdig gebruik noodzakelijk is, dan is het verminderen van de dosis van één of beide middelen te overwegen. Opioïden Het gelijktijdig gebruik van sedativa zoals benzodiazepines of verwante geneesmiddelen zoals diazepam met opioïden verhoogt het risico op sedatie, respiratoire depressie, coma en overlijden als gevolg van een additief CZS-dempend effect. De dosering en de duur van gelijktijdig gebruik moeten beperkt zijn (zie rubriek 4.4). Clozapine Mechanisme: farmacodynamische synergie. Effect: ernstige hypotensie, respiratoire depressie, bewusteloosheid en potentieel fatale adem- en/of hartstilstand. Daarom wordt gelijktijdig gebruik afgeraden en dient te worden voorkomen. Narcotische analgetica Gelijktijdig gebruik van narcotische analgetica kan het eufore effect versterken, wat psychische afhankelijkheid in de hand kan werken. Fenobarbital Mechanisme: additieve CZS inhibitie. Effect: verhoogd risico op sedatie en respiratoire depressie. Andere centraal werkende geneesmiddelen zoals opiumalkaloïden en derivaten als hoestonderdrukkende middelen, barbituraten, baclofen, thalidomide, pizotifeen en centraal werkende antihypertensiva kan of kunnen versterkt worden door de werking van diazepam. Speciale aandacht voor gelijktijdig gebruik met Spierrelaxantia (suxamethonium, tubocurarine) Mechanisme: mogelijk farmacodynamisch antagonisme. Effect: gemodificeerde intensiteit van neuromusculaire blokkade. Theofylline Mechanisme: een denkbaar mechanisme is competitieve binding van theofylline aan adenosinereceptoren in de hersenen. Effect: tegenwerking van de farmacodynamische werking van diazepam, bijvoorbeeld vermindering van sedatie en psychomotorische effecten. Farmacokinetische interacties Diazepam wordt hoofdzakelijk gemetaboliseerd tot de farmacologische actieve metabolieten N�desmethyldiazepam, 3-hydroxydiazepam (temazepam) en oxazepam. Het oxidatieve metabolisme van diazepam wordt gemedieerd door CYP2C19 en CYP3A isoenzymen. De resultaten van in-vivo studies bij menselijke vrijwilligers hebben de in-vitro observaties bevestigd. Oxazepam en temazepam worden verder geconjugeerd tot glucuronzuur. Substraten die worden verwerkt door CYP3A en/of CYP2C19, kunnen de farmacokinetiek van diazepam verstoren. Geneesmiddelen zoals atazanavir, cimetidine, ketoconazol, fluvoxamine, fluoxetine, omeprazol, disulfiram, isoniazide, propranolol, ticlopidine en rifampicine, die CYP3A en CYP2C19 remmen, kunnen de werking van diazepam versterken, waardoor de sedatie toeneemt en langer aanhoudt. Enzym-inducerende geneesmiddelen zoals rifampicine, hypericum perforatum en bepaalde anti-epileptica kunnen resulteren in aanzienlijk verlaagde plasmaconcentraties van diazepam. Effecten van andere geneesmiddelen op de farmacokinetiek van diazepam Gelijktijdig gebruik niet aanbevolen Induceerders Carbamazepine Mechanisme: carbamazepine is een gekende CYP3A4-induceerder en deze verhoogt het hepatische metabolisme van diazepam in de lever. Dit kan leiden tot een drie maal grotere plasmaklaring en een kortere halfwaardetijd van diazepam. Effect: verminderd effect van diazepam. Fenobarbital Mechanisme: fenobarbital is een gekende CYP3A4-induceerder en deze verhoogt het hepatische metabolisme van diazepam in de lever. Effect: verminderd effect van diazepam Fenytoïne Mechanisme: fenytoïne is een gekende CYP3A4-induceerder en deze verhoogt het hepatische metabolisme van diazepam in de lever. Effect: verminderd effect van diazepam. Rifamycine (rifampicine) Mechanisme: rifampicine is een krachtige CYP3A4-induceerder en verhoogt aanzienlijk het hepatische metabolisme en de klaring van diazepam. In een studie met gezonde proefpersonen die gedurende 7 dagendagelijks 600 mg of 1,2 g rifampicine kregen toegediend, was de klaring van diazepam ongeveer vier maal hoger. Gelijktijdige toediening met rifampicine veroorzaakt substantieel verlaagde concentraties van diazepam. Effect: verminderd effect van diazepam. Gelijktijdig gebruik van rifampicine en diazepam dient te worden vermeden. Remmers Antivirale middelen (zoals atazanavir, ritonavir, delavirdine, efavirenz, indinavir, nelfinavir, saquinavir) Mechanisme: antivirale middelen kunnen de CYP3A4-metabolisatie voor diazepam remmen. Effect: verhoogd risico op sedatie en respiratoire depressie. Daarom dient gelijktijdig gebruikt te worden vermeden of moet de dosis worden verlaagd. Azolen (fluconazole, ketoconazol, voriconazol) Mechanisme: verhoogde plasmaconcentratie van benzodiazepinen als gevolg van remming van de CYP3A4- en/of CYP2C19-metabolisatieroute. Fluconazol Bij gelijktijdige toediening met 400 mg fluconazol op de eerste dag en 200 mg tweemaal daags op de tweede dag werd de AUC van een enkelvoudige orale dosis van 5 mg diazepam 2,5 maal hoger en de halfwaardetijd verlengde van 31 tot 73 uur. Ketoconazol Ketoconazol kan de werking van diazepam verhogen en een risico tot slaperigheid doen toenemen. Voriconazol Uit een studie bij gezonde proefpersonen bleek dat bij 400 mg voriconazol tweemaal daags op de eerste dag en 200 mg tweemaal daags op de tweede dag de AUC van een enkelvoudige orale dosis van 5 mg diazepam 2,2 maal hoger werd en de halfwaardetijd verlengde van 31 tot 61 uur. Effect: toegenomen risico op bijwerkingen en toxiciteit van benzodiazepine. Gelijktijdig gebruik dient te worden vermeden of de dosis diazepam moet worden verlaagd. Fluvoxamine Mechanisme: fluvoxamine remt zowel CYP3A4 als CYP2C19, waardoor het oxidatieve metabolisme van diazepam wordt geremd. Gelijktijdige toediening met fluvoxamine leidt tot een verlenging van de halfwaardetijd en tot ongeveer 190% verhoogde plasmaconcentraties (AUC) van diazepam. Effect: sufheid, verminderd psychomotorisch vermogen en verminderde werking van het geheugen. Daarom moeten bij voorkeur benzodiazepinen worden gegeven die langs niet-oxidatieve stofwisselingsroute worden gemetaboliseerd. Speciale aandacht voor gelijktijdig gebruik met Induceerders Coricosteroïden Mechanisme: chronisch gebruik van corticosteroïden kan leiden tot een verhoogd metabolisme van diazepam als gevolg van de inductie van cytochroom P450 isoenzym CYP3A4 of van enzymen die verantwoordelijk zijn voor glucuronidatie. Effect: verminderde effecten van diazepam. Remmers Cimetidine Mechanisme: cimetidine remt het hepatisch metabolisme van diazepam, het vermindert de klaring en verlengt de halfwaardetijd ervan. In een studie waarbij gedurende 2 weken vier maal daags 300 mg cimetidine werd gegeven was de gecombineerde plasmaconcentratie van diazepam en zijn actieve metaboliet, desmethyldiazepam, verhoogd met 57%, maar de reactiesnelheid en andere motorische en psychologische tests werden niet beïnvloed. Effecten: verhoogde werking van diazepam en een verhoogd risico op sufheid. Het kan noodzakelijk zijn de dosis diazepam te verlagen. Disulfiram Mechanisme: verminderd metabolisme van diazepam met als gevolg een verlengde halfwaardetijd en een verhoogde plasmaconcentratie van diazepam. De eliminatie van de N-desmethylmetabolieten van diazepam is vertraagd, waardoor duidelijke sedatieve effecten kunnen optreden. Effect: verhoogd risico op CZS-inhibitie, zoals sedatie. Esomeprazol Mechanisme: esomeprazol remt de CYP2C19-metabolisatieroute voor diazepam. Gelijktijdige toediening met esomeprazol leidt tot een verlenging van de halfwaardijd en tot een verhoging van de plasmaconcentraties (AUC) van diazepam met ongeveer 80%. Effect: verhoogde werking van diazepam. Het kan noodzakelijk zijn de dosis diazepam te verlagen. Fluoxetine Mechanisme: fluoxetine remt het metabolisme van diazepam via CYP2C19-en andere stofwisselingsroutes, waardoor plasmaconcentraties van diazepam worden verhoogd en de klaring ervan wordt verlaagd. Effect: verhoogd effect van diazepam. Gelijktijdig gebruik dient nauwgezet te worden gevolgd. Pompelmoessap Mechanisme: er wordt van uitgegaan dat pompelmoessap CYP3A4 inhibeert en de plasmaconcentratie van diazepam verhoogt. De Cmax is 1,5 maal verhoogd en de AUC 3,2 maal. Effect: mogelijk verhoogd effect van diazepam. Isoniazide Mechanisme: isoniazide remt de CYP2C19- en CYP3A4-metabolisatieroute voor diazepam. Gelijktijdige toediening met 90 mg isoniazide twee maal daags gedurende 3 dagen leidde tot een verlengde eliminatiehalfwaardetijd en een met 35% verhoogde plasmaconcentratie (AUC) van diazepam. Effect: verhoogd effect van diazepam. Itraconazol Mechanisme: verhoogde plasmaconcentratie van diazepam als gevolg van remming van de CYP3A4- metabolisatiesroute. In een studie onder gezonde proefpersonen die gedurende 4 dagen 200 mg itraconazol kregen toegediend was de AUC van een enkelvoudige dosis van 5 mg diazepam ongeveer 15% hoger, maar in tests van het psychomotorisch vermogen werd geen klinisch significante interactie vastgesteld. Effect: mogelijk verhoogd effect van diazepam. Omeprazol Mechanisme: omeprazol remt de CYP2C19-metabolisatiesroute voor diazepam. Omeprazol verlengt de eliminatiehalfwaardetijd van diazepam en verhoogt de plasmaconcentraties (AUC) van diazepam. Dit effect werd waargenomen bij snelle CYP2C19-metaboliseerders, maar niet bij langzame metaboliseerders met een lage klaring van diazepam. Effecten: verhoogde werking van diazepam. Het kan noodzakelijk zijn om de dosis diazepam te verlagen. Orale anticonceptiva Mechanisme: remming van het oxidatieve metabolisme van diazepam. Effect: verhoogde werking van diazepam. Overige Cisapride Mechanisme: versnelde absorptie van diazepam. Effect: tijdelijke toename van de sedatieve werking van oraal toegediende diazepam. Ketamine Mechanisme: als gevolg van vergelijkbare oxidatieprocessen remt diazepam op competitieve wijze het metabolisme van ketamine. Premedicatie met diazepam leidt tot een verlengde halfwaardetijd van ketamine met een versterkte werking als gevolg. Effect: toegenomen sedatie. Levodopa Mechanisme: onbekend. Effect: gelijktijdig gebruik met diazepam leidde in een klein aantal gevallen tot verminderde effecten van levodopa. Valproïnezuur Mechanisme: valproaat verdringt diazepam van zijn plasma-albuminebindingsplaatsen en remt het metabolisme van diazepam. Effect: verhoogde serumconcentraties van diazepam. Gelijktijdig gebruik van diazepam samen met valproïnezuur verhoogt het risico op psychose. Effecten van Diazepam op de farmacokinetiek van andere geneesmiddelen Fenytoïne Mechanisme: het metabolisme van fenytoïne kan door diazepam op onvoorspelbare wijze worden versterkt, afgezwakt of ongewijzigd blijven. Effect: verhoogde of verlaagde serumconcentratie van fenytoïne. Fenytoïneconcentraties dienen vaker te worden gecontroleerd als ook diazepam wordt gegeven of als de behandeling met diazepam wordt gestaakt. Orale anticonceptiva Mechanisme: van gelijktijdige toediening van diazepam en gecombineerde orale anticonceptiva is bekend dat dit kan leiden tot doorbraakbloedingen. Het mechanisme achter deze reactie is onbekend. Effect: doorbraakbloedingen, maar er is geen melding gemaakt van falende werking van de anticonceptiva.

De meest gemelde bijwerkingen zijn vermoeidheid, slaperigheid, verdoofde emoties en spierzwakte. Deze bijwerkingen houden meestal verband met de dosis. Ze treden voornamelijk op aan het begin van de behandeling, maar verdwijnen meestal bij herhaalde toediening. De volgende bijwerkingen kunnen ook optreden: Bloed- en lymfestelselaandoeningen Er zijn geïsoleerde gevallen van bloeddyscrasie en gevallen van agranulocytose gemeld. Psychiatrische stoornissen Verwarring, emotionele armoede, verminderde alertheid, depressie, verhoogd of verlaagd libido. Psychiatrische en paradoxale reacties zoals rusteloosheid, prikkelbaarheid, agressiviteit, waanvoorstellingen, woedeaanvallen, nachtmerries, hallucinaties, psychosen, ongepast gedrag en andere nadelige gedragseffecten. Als dergelijke symptomen optreden, moet diazepam worden stopgezet. De kans hierop is groter bij kinderen en ouderen. Chronisch gebruik (zelfs bij therapeutische doses) kan leiden tot de ontwikkeling van fysieke afhankelijkheid. Zodra er zich lichamelijke afhankelijkheid heeft ontwikkeld, zal abrupte beëindiging van de behandeling gepaard gaan met ontwenningsverschijnselen (zie rubriek 4.4). Er kan psychische afhankelijkheid optreden. Er zijn gevallen van misbruik van benzodiazepines gemeld. Aandoeningen van het zenuwstelsel Ataxie, dysartrie, hoofdpijn, tremor, duizeligheid. Anterograde amnesie kan optreden bij gebruik van therapeutische doseringen, waarbij het risico toeneemt bij hogere doseringen. Amnestische effecten kunnen in verband worden gebracht met ongepast gedrag. Oogaandoeningen Diplopie, wazig zicht. Oor- en labyrintaandoeningen Vertigo Hartaandoeningen Hartfalen inclusief hartstilstand Vasculaire aandoeningen Hypotensie, circulatoire depressie. Ademhalings-, thoracale en mediastinale aandoeningen Ademhalingsdepressie inclusief ademstilstand Gastro-intestinale aandoeningen Nausea, droge mond, verhoogde speekselvloed, constipatie en andere gastro-intestinale stoornissen. Hepatobiliaire aandoeningen Geelzucht (zeer zelden) Huid-en onderhuidaandoeningen De meest voorkomende reacties zijn huiduitslag, netelroos, jeuk en erythemateuze uitslag. In de meeste gevallen van ernstige huidreacties (Stevens-Johnson-syndroom, toxische epidermale necrolyse en erythema multiforme) worden de gelijktijdige medicatie en patiënten met een verminderde algemene toestand als belangrijke verstorende factoren beschouwd. Musculoskeletale-en bindweefselaandoeningen Spierzwakte Nier-en urinewegaandoeningen Incontinentie, urineretentie. Onderzoeken Verandering van de hartslag, verhoogde transaminasen (zeer zelden) en verhoogde alkalische fosfatase in het bloed. Letsel, vergiftiging en procedurecomplicaties Er is een verhoogd risico op vallen en daarmee samenhangende fracturen bij oudere patiënten die benzodiazepines gebruiken. Melding van vermoedelijke bijwerkingen Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op deze wijze kan de verhouding tussen voordelen en risico's van het geneesmiddel voortdurend worden gevolgd. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden via:Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten www.fagg.be Afdeling Vigilantie : Website: www.eenbijwerkingmelden.be e-mail: adr@fagg-afmps.be

Diazepam AB is gecontra-indiceerd voor patiënten met: - een overgevoeligheid voor diazepam of voor één van de in rubriek 6.1 vermelde hulpstoffen; - myasthenia gravis; - ernstige respiratoire insufficiëntie; - slaapapneusyndroom; - ernstige leverinsufficiëntie (risico op encefalopathie).

Zwangerschap Een grote hoeveelheid gegevens uit cohortstudies geeft aan dat blootstelling aan benzodiazepine in het eerste trimester niet gepaard gaat met een toename van het risico op ernstige misvormingen. Sommige vroege epidemiologische studies hebben echter een verhoogd risico op orale kloven aangetoond. Uit de gegevens bleek dat het risico op het krijgen van een kind met een schisis na blootstelling aan benzodiazepinen van de moeder minder dan 2/1.000 bedraagt, vergeleken met een verwacht percentage voor dergelijke afwijkingen van ongeveer 1/1.000 in de algemene bevolking. Behandeling met hoge doses benzodiazepine tijdens het tweede en/of derde trimester van de zwangerschap heeft een afname van de actieve bewegingen van de foetus en een variabiliteit van het foetale hartritme aan het licht gebracht. Wanneer de behandeling om medische redenen tijdens het laatste deel van de zwangerschap moet worden toegediend, zelfs bij lage doses, kan het floppy infant-syndroom zoals axiale hypotonie en zuigproblemen worden waargenomen die tot een slechte gewichtstoename leiden. Deze verschijnselen zijn omkeerbaar, maar kunnen 1 tot 3 weken aanhouden, afhankelijk van de halfwaardetijd van het product. Bij hoge doses kunnen bij pasgeborenen ademhalingsdepressie of apneu en hypothermie optreden. Bovendien kunnen neonatale ontwenningsverschijnselen met hyperexcitabiliteit, agitatie en tremor enkele dagen na de geboorte worden waargenomen, zelfs als er geen floppy infant-syndroom wordt waargenomen. Het optreden van ontwenningsverschijnselen na de geboorte hangt af van de halfwaardetijd van de stof. Bovendien moet er rekening mee worden gehouden dat het enzymsysteem dat betrokken is bij de afbraak van het geneesmiddel nog niet volledig ontwikkeld is bij zuigelingen (vooral bij prematuren). Vraag uw arts of apotheker om advies voordat u dit geneesmiddel inneemt. Diazepam mag niet tijdens de zwangerschap worden gebruikt, tenzij onder strikt medisch toezicht. Borstvoeding Aangezien diazepam wordt uitgescheiden in de moedermelk, mag het niet gebruikt worden tijdens de periode van borstvoeding. Vruchtbaarheid Er zijn geen menselijke gegevens.

Dosering De dosering moet aan elke specifieke aandoening worden aangepast. De behandeling moet beginnen met de laagste effectieve dosis en vervolgens geleidelijk worden verhoogd totdat een optimaal effect is bereikt. Volwassenen Angst  Gebruikelijke dosering: 2 mg tot 5 mg diazepam twee- tot driemaal daags.  Maximale dosis: In ernstige gevallen kan de dosis stapsgewijs worden verhoogd tot maximaal 30 mg diazepam per dag, verdeeld over 2 tot 4 doses. Op individuele basis aangepast.  De laagste dosis waarmee de symptomen onder controle kunnen worden gehouden, moet worden gebruikt.  De behandeling mag niet langer dan 4 weken met de volledige dosis worden voortgezet.  Langdurig chronisch gebruik wordt niet aanbevolen.  De behandeling moet altijd geleidelijk worden afgebouwd. Patiënten die langdurig benzodiazepines hebben gebruikt, kunnen een langere periode nodig hebben waarin de doses worden verlaagd. Controle van spierspasmen  Spierspasmen: Maximaal 15 mg diazepam per dag, verdeeld over 2 tot 4 doses.  Behandeling van spasticiteit van de bovenste motorneuronen (zoals hersenverlamming) in geselecteerde gevallen: Indien nodig kan de dosis worden getitreerd tot maximaal 60 mg diazepam per dag, verdeeld over 3 tot 4 doses. Ontwenningsverschijnselen van alcohol  5 mg tot 20 mg diazepam, indien nodig eenmaal binnen 2 tot 4 uur herhaald, of 10 mg diazepam drie tot vier keer op de eerste dag. Na de eerste dag wordt de dosis indien nodig gewoonlijk verlaagd tot 5 mg diazepam drie- tot viermaal daags.  In ernstige gevallen kan een oplaaddosismethode worden gebruikt met initiële toediening van 10 mg diazepam ieder uur totdat de patiënt licht verdoofd en asymptomatisch is, doorgaans oplopend tot 50-80 mg. De behandeling moet plaatsvinden in een ziekenhuisomgeving en de patiënt moet op passende wijze worden gecontroleerd. Bijzondere populaties: Individuen in de volgende patiëntengroepen moeten aan het begin van de behandeling regelmatig worden gecontroleerd. Controle tijdens de behandeling is essentieel om de dosering en/of de toedieningsfrequentie te minimaliseren en overdosering als gevolg van accumulatie te voorkomen, zoals bij kinderen en adolescenten, oudere patiënten en patiënten met een verminderde leverfunctie. Pediatrische patiënten Kinderen ouder dan 6 jaar en adolescenten De toediening bij kinderen ouder dan 6 jaar en adolescenten mag alleen om dwingende medische redenen plaatsvinden. Bij kinderen kan de halfwaardetijd verlengd zijn. Het dosisniveau moet worden verlaagd en individuele aanpassingen moeten worden uitgevoerd.  Gebruikelijke dosis: 0,1–0,3 mg/kg lichaamsgewicht per dag verdeeld over twee tot vier doses. De behandeling moet worden gestart met de laagst mogelijke dosis en geleidelijk worden verhoogd indien nodig en verdragen. Kinderen jonger dan 6 jaar Diazepam AB wordt niet aanbevolen voor kinderen jonger dan 6 jaar vanwege mogelijke slikproblemen. Voor jongere kinderen zijn mogelijk geschiktere farmaceutische vormen beschikbaar. Mocht toediening bij kinderen jonger dan 6 jaar echter worden overwogen, dan mag dit alleen gebeuren na beslissing en onder streng medisch toezicht van een specialist (kinderarts, neuroloog, psychiater, anesthesioloog en intensivist) die de dosis zal bepalen. Oudere patiënten De behandeling dient te worden gestart met de laagst mogelijke dosering (2 tot 2,5 mg, één of twee keer per dag) en vervolgens zo nodig geleidelijk te worden verhoogd als het wordt verdragen. Deze patiënten moeten bij de start van de behandeling regelmatig worden gecontroleerd voor het minimaliseren van de dosering en/of de toedieningsfrequentie om overdosering door accumulatie te voorkomen. Verminderde nierfunctie Er is doorgaans geen doseringsaanpassing nodig. Toch is voorzichtigheid geboden bij de behandeling van patiënten met een verminderde nierfunctie met diazepam. Benzodiazepinen met actieve metabolieten zoals diazepam dienen vermeden te worden bij patiënten met een nierziekte in het eindstadium. Verminderde leverfunctie Deze patiënten moeten een lagere dosis ontvangen en regelmatig gecontroleerd worden aan het begin van de behandeling om de dosering en de toedieningsfrequentie aan te passen om een overdosering te voorkomen wegens accumulatie. Patiënten met een ernstige leverfunctiestoornis mogen niet met diazepam worden behandeld vanwege het risico op hepatische encefalopathie (zie rubriek 4.3). Patiënten met overgewicht In verschillende studies is aangetoond dat de farmacokinetiek bij patiënten met overgewicht anders is dan bij patiënten met een normaal gewicht. Patiënten met overgewicht hebben een significant langere behandelingstijd nodig dan patiënten met een normaal gewicht voor de maximale werking van het middel zich voordoet bij langdurige behandeling. Op vergelijkbare wijze kunnen ook het therapeutisch effect en bijwerkingen, waaronder ontwenningsverschijnselen, gedurende een langere tijd aanhouden na staken van een langduriger behandeling van patiënten met overgewicht (zie rubriek 5.2). Duur van de behandeling De duur van de behandeling van angst moet zo kort mogelijk zijn (zie rubriek 4.4). De patiënt moet regelmatig opnieuw worden geëvalueerd om de noodzaak van voortgezette behandeling te beoordelen, vooral als de patiënt symptoomvrij is. Over het algemeen mag de behandeling niet langer duren dan 8 tot 12 weken, inclusief het afbouwproces. In bepaalde gevallen kan een verlenging na de maximale behandelingsperiode noodzakelijk zijn; Als dit het geval is, mag dit niet plaatsvinden zonder herevaluatie van de status van de patiënt met speciale expertise. De effectiviteit van langdurige behandeling (> 6 maanden) is niet beoordeeld door systematische klinische onderzoeken. Wijze van toediening Oraal gebruik Dit geneesmiddel moet gewoonlijk in de namiddag of avond worden ingenomen. Afbouwen De behandeling moet altijd geleidelijk worden afgebouwd. Patiënten die langdurig benzodiazepines hebben gebruikt, kunnen een langere periode nodig hebben waarin de doses worden verlaagd.

CNK 4851903
Organisaties Aurobindo
Merken Aurobindo
Actieve ingrediënten diazepam
Behoud Kamertemperatuur (15°C - 25°C)